- slecht
- {{slecht}}{{/term}}I 〈bijvoeglijk naamwoord, bijwoord〉1 [niet goed] bad ⇒ poor 〈van kwaliteit〉2 [ongunstig] bad ⇒ unfavourable3 [in geldelijk opzicht] bad ⇒ poor4 [in moreel/zedelijk opzicht] bad ⇒ wrong5 [niet voorspoedig] bad ⇒ ill6 [verkeerd] bad ⇒ wrong7 [ineffectief] bad ⇒ poor♦voorbeelden:1 een slecht gebit • bad teethslecht betaald • badly/low paiddat is niet slecht • that is not badjij kent haar maar slecht • you do not know her wellslechter worden 〈van kwaliteit e.d.〉 • worsen, deteriorateslecht ter been zijn • have difficulty walking2 hij heeft het slecht getroffen • he's been unlucky3 slechte tijden • hard timesde zaken staan slecht • things look bad4 zich op het slechte pad begeven • go astrayeen slechte vrouw • a woman of ill repute5 een slechte dag hebben • have a bad/an off dayhet loopt nog eens slecht met je af • you will come to no gooder slecht aan toe zijn • be in a bad wayII 〈bijvoeglijk naamwoord〉1 [ziekelijk] ill ⇒ poorly♦voorbeelden:1 de zieke wordt slechter • the patient is getting worseIII 〈bijwoord〉1 [bijna niet] hardly, scarcely ⇒ badly♦voorbeelden:1 ik schiet slecht op • I find it heavy going
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.